Back to homepage


Aspidites Melanocephales
Blackhead python



De Zwartkoppython, Aspidites Melanocephalus

Joris van der Hilst

Inleiding:
In Australië komen meer dan 20 soorten pythons voor. Naast de Antaresia (Childreni, Maculosa, Perthensis, Stimsoni), Leiopython (Albertissi), Liasis (Olivaceus, Fuscus), Morelia (Spilotes, Amethystina, Bredli, Carinata, Oenpelliensis, Viridis) komen er ook twee soorten Aspiditessen voor.
Deze soorten zijn weer in twee ondersoorten te verdelen, namelijk de Woma of roodkoppython (Aspidites Ramsayi) en de zwartkoppython (Aspidites Melanocephalus) waar dit artikel over gaat. De wetenschappelijke naam: Melanocephalus is afgeleid van: Melano= zwart en Cephalus=kop.

Verspreiding:
Deze dieren komen uit het noordelijkste derde deel van Australië. Ze hebben een erg groot verspreidingsgebied waaronder Queensland, Northern Territory en Westelijk Australië. Vanwege het grote verspreidingsgebied komen deze dieren in veel verschillende soorten landschappen voor. Savanne, open bossen, tropisch grasland en rotsachtige gebieden worden bewoond.

In de natuur is deze soort nog in redelijke aantallen te vinden en worden ze mede door de Australische wetgeving nog niet met uitsterven bedreigd.

Uiterlijk:
Zoals de naam al doet vermoeden hebben deze dieren een gitzwarte kop die vanaf de achterzijde van de nek met een scherpe lijn begint.
De kop steekt niet af van de rest van het lichaam, wat bij veel soorten Pythons wel gebruikelijk is, maar gaat geleidelijk in het lichaam over.
De ogen zijn zwart of donkerkleurig en de pupil is ellipsvormig, wat wil zeggen dat het schemer en/of nacht actieve dieren zijn.

De ondergrond van de rest van het lichaam varieert van crème kleurig tot roodbruin en bezit 70 tot 110 smalle banden. Deze banden zijn donkerder gekleurd dan de ondergrond en variëren van roodbruin tot donkerbruin/zwart.

Variatie in het patroon is mogelijk daar er ook zigzag achtige structuren en egaal donkere dieren zijn gevonden. Gemiddeld worden deze dieren ongeveer 2 meter, maar grotere dieren zijn geen zeldzaamheid. Er zijn meerdere meldingen van dieren die meer dan drie meter waren met een gewicht van ongeveer 16 kilogram. Het wordt wel aangenomen dat dieren uit het Westen kleiner blijven dan Oosterse dieren.

Het geslacht is het beste te bepalen via sonderen. Bij mannen komt men 2-5 en bij vrouwen 10-12 schubben diep. Een slechtere methode is het bekijken van de klauwen, omdat deze bij beide geslachten aanwezig zijn.

Voedsel:
In het wild zijn zwartkoppythons voornamelijk reptielen eters. Baardagamen, jonge varanen, kraaghagedissen en ook andere soorten slangen, waaronder ook enkele giftige soorten staan op het menu. Uit de maag van een overreden zwartkop python werd een werd een eerder verorberde woma gehaald (dubbelzonde).

Naast reptielen, die ongeveer 90 % van het hele dieet vormen, blijft er nog 10 % over die wordt ingevuld door knaagdieren en vogels. Doordat zwartkoppythons primair reptieleneters zijn ligt het voor de hand dat dat de reden is waarom jonge zwartkoppythons lastig aan het eten te brengen zijn, maar daarover dadelijk meer.
Eenmaal etende dieren zullen in gevangenschap muizen, ratten en konijnen accepteren. Zowel dode als levende prooi worden zonder moeite aangenomen, zelf wanneer de slangen in hun vervellings periode zitten.

Jonge dieren kan je iedere vijf dagen voeren en in zón tempo kunnen ze na een jaar al 160 cm bedragen. Dit tempo kan je volhouden tot de dieren meer in
de breedte gaan groeien dan in de lengte. Volwassen dieren kan je eens per week of per twee weken te eten geven.

Gedrag:
Volwassen dieren zijn erg rustig van karakter en zeer goed hanteerbaar. Jonge dieren kunnen in het begin nog defensief gedrag vertonen, maar dat gaat er vrij snel vanaf wanneer ze ouder worden. Dit defensieve gedrag bestaat uit een oprichtreactie, gevolgd door een luid gesis en een uithaal waarbij de bek vaak gesloten blijft.

Al hoewel zwartkoppythons schermer en nachtactieve dieren zijn, vertonen ze overdag ook regelmatig activiteiten. Wanneer iemand langs het terrarium loopt komen ze vaak te voorschijn om eens te bekijken wat er aan de hand is. Dit doen ze dan op een typische manier, waarbij de kop ongeveer 10 cm de lucht in gaat om "verder" te kunnen kijken.
Waarschijnlijk verwachten de dieren voedsel, maar het lijkt net of ze erg nieuwsgierig zijn. Ook is hun houding in rust typisch.

Wanneer dieren in hun schuilplaats liggen of in het substaat zijn weggekropen, laten ze vaak alleen hun kop zien. Vaak is dan alleen het zwarte gedeelte te zien tot de nek. In het wild graven deze dieren zelf een schuilplaats. Het ziet er dan heel onhandig uit, maar in een paar uur hebben ze een schuilplaats waar ze helemaal in kunnen liggen. Dit gedrag zie je vaak terug bij dieren in gevangenschap. Daarom is het raadzaam om geen zware voorwerpen ( stenen, stronken) in het terrarium te hebben, omdat ze zichzelf in kunnen graven.

Een volwassen zwartkoppython kan in een enkele nacht een heel terrarium verbouwen.
Volwassen zwartkoppen willen nog wel eens op hun rug slapen. Ben daar op voorbereid om een hartwip te voorkomen. Deze dieren zijn echte warmte liefhebbers. Ze zoeken constant temperaturen op van 32/33 graden of zelfs meer.

Huisvesting:
Het dient de voorkeur om zwartkoppythons apart te huisvesten in verband met het voeren. Wanneer je ze toch bij elkaar houdt moet je de dieren apart eten geven en daarna nog een aantal uur gescheiden houden alvorens ze weer bij elkaar te plaatsen.
Denk er aan dat deze dieren in het wild reptieleneters zijn ook al zouden ze tolerant ten opzichte van elkaar zijn.

Zoals al is vermeld zijn zwartkoppythons echte warmteliefhebbers. Bijna altijd liggen ze onder de lamp of op de bodemverwarming, houdt hier rekening mee met de opzet van het terrarium. Daar de dieren veel vocht uit hun prooi halen en daarom niet veel drinken is heb je genoeg aan een kleine waterbak. Gebruik bij voorkeur een kleine, zware waterbak die gemakkelijk te verversen is.

Jonge dieren zijn prima te huisvesten in kleine plastic bakken met een laag zaagsel en een waterbakje. Volwassen dieren hebben genoeg aan een terrarium van 150cm lengte, 60 cm breedte en de hoogte is van ondergeschikt belang, omdat het echte grondbewoners zijn. Om deze regen is het bodemmateriaal van groter belang.

Vele substraten kunnen worden gebruikt, maar de meeste houders/kwekers gebruiken kranten of zaagselachtige substraten. Wanneer men voor kranten kiest moet men er rekening mee houden dat er een schuilplaats wordt gecreëerd. Dit kan een plastic bak zijn, met een gat in de deksel, gevuld met zaagsel of sphagnum mos.

Wanneer er wordt gekozen voor zaagselachtige materialen is het niet direct noodzakelijk om een schuilplaats te creëren, omdat de dieren zich in gaan graven. Wanneer men een krant of en ander plat voorwerp in de bak legt zullen de dieren hieronder een eigen schuilplaats graven.

Kweken:
In het wild hebben zwartkoppythons hun paarperiode van Juli tot September. De eieren worden van Oktober tot November gelegd en de jongen worden van November tot Januari geboren. Doordat het jaarritme in Europa ten opzichte van Australië 180 graden verschild hebben dieren die hier in gevangenschap leven hun paarperiode van Januari tot Maart, leggen de vrouwen hun eieren van Februari tot Juni en worden de jongen geboren in Juni en Juli.

Het aanzetten tot paren gebeurd na een periode van een lichte afkoeling en eventueel een verhoging van de luchtvochtigheid. Het hebben van meerdere mannen is geen must maar misschien wel een extra stimulering. Mannen kunnen gevechten met elkaar aangaan waarbij de dieren om elkaar heen draaien en de ander naar de grond proberen te drukken.
Tot echte gewelddadigheden komt het niet. Wanneer dieren drachtig zijn moeten ze overdag een plaats hebben waar het tussen de 35 en 40 graden is. Ze zullen daar veel gebruik van maken.

Vaak liggen ze dan met hun buik naar boven gericht te zonnen. Dit gedrag gebeurt bij meerdere soorten pythons. Vrouwen vervellen een tot twee weken voordat ze de eieren gaan leggen. Zorg er voor dat er een plaats is gecedeerd waar ze hun eieren kunnen leggen. Een plastic bak met vochtig sphagnum mos is goed.

Er worden drie tot achttien eieren gelegd, met een gemiddelde van zeven tot negen, die na ongeveer 63 tot 70 dagen uitkomen. De eieren worden op 31,5 tot 32,5 uitgebroed in een couveuse. Wanneer de temperatuur lager is dan zal de lengte van het uitbroeden worden verlengt. Wanneer je er voor kies om de vrouw op de eieren te laten zitten moet je er voor zorgen dat de temperatuur ongeveer 32/33 graden is in het terrarium. De vrouw zal er dan netjes omheen blijven liggen en alleen de eieren verlaten om even wat te gaan drinken om daarna weer snel om de eieren heen te gaan liggen.

Ook ontlasting wordt netjes buiten het nest gedaan, want vrouwen kunnen weer gaan eten na de leg. De positie van het vrouwtje om de eieren verandert nogal eens. Soms tilt ze zelf ze eieren een paar cm van de grond. Wanneer de eieren uit gaan komen zal de vrouw haar lussen gaan verbreden totdat ze de eieren net niet meer aanraakt.

Uiteindelijk komen de jongen uit hun eieren. Deze zijn dan ongeveer 50 tot 60 cm lang en wegen rond de 100 gram. Omdat de jongen lastig aan het eten te brengen zijn raadt men aan om ze de eerste acht weken niet te voeren alvorens de eerste poging wordt ondernomen. Eten de jongen eenmaal dan zullen ze niet vaak meer weigeren en groeien ze erg snel (zie stukje voedsel)

Back to pythons