Back to homepage


Bismark python



Het houden, verzorgen en kweken met de Ring Python, Liasis Boa

Joris van der Hilst

Inleiding:
Tot voor kort was er nog niet veel bekend over de Ring- of Bismarck Python. Een handje vol mensen verzorgde deze soort en nog minder mensen kweekte ermee. Daar is gelukkig de laatste jaren veel verandering in gekomen. Het etiket van moeilijk te kweken slangen hebben ze inmiddels ook verloren en steeds meer mensen gaan deze soort houden. Omdat veel literatuur nog "ouderwets" aandoet (zeker in Nederlandse literatuur) wil ik met dit artikel wat duidelijkheid scheppen rond deze dieren.

Classificatie:
Tot voor kort behoorde deze soort tot de Liasis groep. Onder deze groep vallen eveneens de Australische Waterpython (Liasis Fuscus), de Waterpython (Liasis Mackloti), de Sawu Python (Liasis Mockloti Savuensis) en de Olijf Python (Liasis Olivaceus Olivaceus/Barroni).
Hij is echter nu ingedeeld in een nieuwe groep waarvan hij de enige soort is: Botrochilus Boa.
Omdat de oude benaming voor veel mensen veel duidelijker is en er erg tegenwoordig veel wordt geschoven in de classificatie van Pythons uit het Indo-Australische gebied zal ik in het artikel alleen de oude benaming gebruiken: Liasis Boa.

Verspreidingsgebied:
Het verspreidingsgebied van de Ring Python omvat een groot aantal kleine eilandjes in de Bismarck Archipel, dat ten Noordoosten van Papua Nieuw Guinea ligt. De meest bekende eilanden waar deze dieren in het wild leven zijn twee grotere eilanden: New Britain en New Ireland. Op veel van deze eilandjes komt ook de Witlippython (Leiopython Albertisi) voor die naar mijn inzicht nauw verwant is aan de Ring Python. Ring Pythons worden vooral gevonden in tropisch regenwoud, maar in secundaire bossen en op plantages worden ze ook gevonden.
Het gebied waar deze dieren vandaan komen behoort tot een van de vochtigste gebieden van de wereld.

Uiterlijk:
De Ring Python is een kleine tot middelgrote Python soort. Volwassen dieren kunnen een lengte van 180 cm halen maar het gros van de dieren blijft op 150 cm steken. De doorsnee van volwassen dieren bedraagt ongeveer 5 a 6 cm.
De kleur van volwassen Ring Pythons varieert van donkerbruin/zwart tot geel/oranje/rood met zwarte banden over het lichaam verspreid. Dit hoeven niet altijd ringen te zijn en veel dieren hebben een afwijkende tekening met strepen en vlekken. De kop is altijd zwart en in verhouding met het lichaam vrij klein. Jonge dieren zijn een van de mooiste slangen om te zien. De tekening is bij jongen reeds zichtbaar en de zwarte banden veranderen ook niet meer van kleur gedurende de rest van hun leven, maar het is vooral de oranje ondergrond die deze dieren dan siert. Het heldere oranje blijft helaas niet zo zuiver gedurende de rest van hun leven, maar verkleurd naar oranjebruin. Dat gebeurt na een half jaar tot een jaar. Het selectief op kleur kweken heeft er al voor gezorgd dat het oranje beter zichtbaar blijft en wellicht mogen we in de nabije toekomst van erg mooi oranje gekleurde dieren genieten.
Zowel jonge als volwassen dieren hebben een iriserende glans over hun lichaam die net na de vervelleng op zijn mooist is. Wanneer deze dieren geen glans hebben zijn ze waarschijnlijk uitgedroogd.

De mannen en vrouwen zijn van elkaar te onderscheiden door het vergelijken van de sporen. Bij mannen zouden deze groter moeten zijn. Een meer betrouwbaardere manier is het sonderen van de dieren. Bij mannen komt men 10-11 schubben diep en bij vrouwen 2-3 schubben diep.

Gedrag:
Ring Pythons zijn schemer en nacht actief, dat ook aan de elipsvorm van de pupillen te zien is, maar omdat ze een hele hoge stofwisseling hebben zullen ze overdag ook geregeld in beweging zijn. Ook zijn deze dieren grondbewoners, al zullen ze zich in gevangenschap, daar waar mogelijk, ook boven de grond in takken of op planken schuil houden. Wanneer deze dieren toch gestoord worden kunnen ze een typische dreighouding aannemen.
Deze dreighouding bestaat uit het brengen van de nek in verschillende lussen met de kop een stuk van de grond af. Vanuit deze dreighouding kunnen ze zeer fel uithalen naar alles wat beweegt. Deze typische dreighouding kan men eveneens bij Witlippythons ontdekken.
Het karakter van deze dieren is ook zeer verschillend. Sommige dieren zijn zeer goed hanteerbaar en zullen nooit bijten terwijl andere dieren zich bij het minste geringste in een dreighouding positioneren en ook zullen uithalen naar alles wat beweegt.

Voedsel:
Veel is er niet bekend over het voedselpatroon van de Ring Python, maar er wordt aangenomen dat het bestaat uit reptielen, knaagdieren en vogels. In gevangenschap zullen volwassen dieren ieder soort voedsel accepteren. Jonge dieren kunnen daarentegen nogal wat opstart problemen opleveren en gaan meestal pas na een paar weken zelfstandig aan het eten. Het vermoeden bestaat dat het menu van jonge dieren in het wild voornamelijk bestaat uit reptielen voordat ze grotendeels op knaagdieren overschakelen. Dat kan een reden zijn waarom jonge dieren vrij moeilijk aan het eten te krijgen zijn. Accepteren ze eenmaal nestmuizen dan zullen het echte eetmachines worden die niet vaak een prooi overslaan, zelfs niet wanneer ze moeten vervellen. Het is echter aan te raden volwassen dieren niet te overvoeren, ondanks hun hoge stofwisseling. Een voedselschema van een prooidier per 10 tot 15 dagen volstaat. Zo lang de dieren nog voornamelijk in de lengte aan het groeien zijn, kan een schema van een prooidier per 7 dagen worden gehanteerd. Op die manier zullen dieren tussen de drie en vijf jaar geslachtsrijp zijn. Ze hebben dan een lengte van ongeveer 120 cm en wegen dan tussen de 800 en 1000 gram. Het is aan te raden om deze dieren altijd apart te voeren, daar het erg agressieve eters zijn en ook elkaar op die momenten als een smakelijk hapje kunnen zien. Om deze reden is het ook verstandig om alleen dieren van ongeveer gelijke grootte samen te huisvesten.

Huisvesting:
In principe zijn Ring Pythons erg gemakkelijk te houden slangen die men apart of per groep kan huisvesten. Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar het apart huisvesten van deze dieren vanwege het voeren.
De maten van het terrarium voor volwassen dieren zou ik op minimaal 80-50-50 cm (l-b-h) houden. Wanneer men toch van plan is om deze dieren als groep te huisvesten zou ik de minimale maten op 150-50-50 cm (l-b-h) houden met een maximum van vier dieren. De geslachtverhouding kan dan 1:1 zijn. Het terrarium kan verwarmd worden door lampen en/of bodemverwarming. Deze dieren zijn echte warmteliefhebbers en daarom moet er overdag een plaats in het terrarium zijn waar het 35 graden wordt. De rest van het terrarium kan op 28 tot 30 graden worden gehouden. In de nacht mag de temperatuur tot 22 graden zakken.


Het aantal uren dat de lampen branden kan men door het jaar heen op 14 uur houden.
Omdat deze dieren uit een van de vochtigste gebieden van de wereld komen moet men de luchtvochtigheid vrij hoog houden. Een luchtvochtigheid van rond de 70% is acceptabel.
Dit kan men bereiken door meerdere keren per week te sproeien zodat de luchtvochtigheid een paar uur rond de 90% blijft. Ook is het raadzaam om een ruime waterbak te plaatsen waarin de dieren ook kunnen baden. Dit zullen ze zeer zeker doen, zeker wanneer ze tegen een vervelling aan zitten. Gezonde dieren die in een juiste luchtvochtigheid worden gehouden vervellen altijd in een stuk.
Als bodemmateriaal zou ik turfmolm kiezen in verband met de hoge luchtvochtigheid waarin de dieren moeten leven. Ook kranten kunnen als bodemmateriaal dienen. Zorg er altijd voor dat de ontlasting niet te lang blijft liggen, omdat Ring Pythons een erg dunne huid hebben en dat in combinatie met een hoge luchtvochtigheid kan voor huid problemen zorgen.
Het plaatsen van takken of ligplanken in het terrarium is niet direct nodig, maar indien aanwezig zullen ze hier wel gebruik van maken.

Kweken:
Om met Ring Pythons te kunnen kweken moeten de dieren geslachtsrijp en in een goede conditie zijn. Een goede conditie wil zeggen dat ze geen ziektes mogen hebben en dat de dieren een juist gewicht hebben. Dat betekent dat vrouwen een ligt overgewicht mogen hebben en mannen een normaal tot een licht ondergewicht.
Om ze tot paren aan te zetten zal men de temperatuur, de luchtvochtigheid en het aantal uren licht aan moeten passen. Dit moet synchroon verlopen. Zo zal de lichtduur van 14 uur terug gebracht kunnen worden naar 12 uur. De temperatuur kan van 28-30 graden terug naar 26-28 graden overdag en van 22-24 graden terug naar 20 graden in de nacht. De luchtvochtigheid kan men doordat men minder sproeit van ongeveer 70% naar ongeveer 50% terug brengen in deze periode. Dit alles gedurende acht tot tien weken. Het is mogelijk om deze periode in iedere maand van het jaar in te zetten, maar het is logisch dat in de winterperiode te doen. Dat wil zeggen van November tot Januari. Het hebben van meerdere mannen is raadzaam, het is echter geen noodzaak. De mannen kunnen rond de winterperiode in gevecht gaan, maar zullen elkaar daarbij niet verwonden. De eerste paringen worden meestal een paar dagen na het einde van de afkoeling waar genomen en zullen nog enkele weken aanhouden. In deze periode moet men de luchtvochtigheid erg hoog houden.
Ongeveer 45 tot 70 dagen na de laatste paring zullen de vrouwen eieren leggen. Om er voor te zorgen dat de eieren niet in de waterbak of onder de lamp worden gelegd kan men een nestbox in het terrarium plaatsen gevuld met vochtig sphagnum mos of vermiculite.
Er worden 8 tot 18 crème kleurige eieren gelegd die als een grote hoop aan elkaar verkleeft kunnen zijn. De eieren hebben een lengte van ongeveer 4,5 cm bij 2,3 cm en kunnen het beste in een incubator worden gelegd. Bij een temperatuur van 31,5 graden zullen de jongen na 60 tot 70 dagen later uitkomen.

De jongen:
Wanneer de jongen worden geboren zijn ze 30 tot 32 cm. Het is verstandig om jonge Ring Pythons te huisvesten in kleine plastic bakken, waarin een hoge luchtvochtigheid wordt aangehouden. Dit is erg belangrijk, omdat jonge dieren een erg dunne huid hebben en dus gevoelig zijn voor uitdroging. Een luchtvochtigheid van boven de 80% is aangeraden. De temperatuur wordt op constant 28 graden gehouden.
Na ongeveer 10 dagen zullen de eerste jongen gaan vervellen. Na de vervelling wordt de eerste poging ondernemen om de dieren aan het eten te krijgen.


De meeste jongen zullen dit echter nog niet accepteren. Enig geduld is hierbij een schone zaak. Wanneer de jongen na zes weken nog niet gegeten hebben kan men er over denken om te gaan dwangvoeren. Meestal gaan de jongen dan na een paar weken wel zelfstandig aan het eten. Wanneer de jongen beginnen met omkleuren (ongeveer drie maanden) is het grootste risico van uitdroging niet meer aan de orde en kan men de luchtvochtigheid normaliseren.